Verzorging
Oorsprong
Oorspronkelijk is het konijn afkomstig uit Zuidwest-Europa en Noordwest-Afrika. Hij heeft grote ogen en oren en de achterpoten zijn langer dan de voorpoten. De voeten hebben geen zoolkussentjes maar zijn aan de onderkant stevig behaard.
Door intensieve fokkerij is een enorme variatie ontstaan in konijnenrassen. Op basis van verschil in kleur, grootte en vachtstructuur zijn er nu vele variëteiten te onderscheiden.
Bij het wilde konijn is het mannetje vrijwel even groot als het vrouwtje alleen de kop is wat forser. Beide seksen hebben klieren onder de kin die een stof afscheiden die gebruikt wordt bij de territoriumafbakening. Bij het mannetje zijn deze klieren groter. Ook bij de directe onderlinge herkenning spelen deze klieren een rol.
In de loop der tijd heeft het konijn zich verspreidt over de hele wereld. In Australië bijvoorbeeld leidde dit tot grote problemen. Het konijn was hier door het ontbreken van natuurlijke vijanden dermate succesvol, dat er sprake was van een ware plaag. Hierdoor dreigden zelfs voedseltekorten te ontstaan voor de inheemse dieren.
Konijnen hebben een voorkeur voor grasland en open bosachtig gebied. Ze graven uitgebreide gangenstelsels met verschillende gangen. Er zijn grote gangen die uitkomen op een centrale woonruimte en er zijn nauwe gangen die dienst doen als vluchtgangen. Ook zijn er woonruimten aan het eind van blind eindigende gangen.
In 1954 en 1955 is de konijnenpopulatie in Europa ernstig teruggedrongen door de konijnenziekte myxomatose.
Huisvesting:
Een hok moet gemaakt zijn van glad hout en eventuele randen moeten worden afgezet met metaal om houtknagen te voorkomen. De konijnen dienen te worden beschermd tegen koud, vocht en felle zon. De afmetingen zijn afhankelijk van het ras, maar een hok moet minimaal deze afmetingen hebben:
Hoogte (cm) Breedte (cm) Diepte (cm)
groot ras: 70, 120, 60
middelgroot ras: 70, 100, 60
klein ras: 70, 75, 60
Een geschikte omgevingstemperatuur is 18-21 C en een konijn verdraagt temperaturen van 6-29 C. De vochtigheidsgraad moet tussen de 40 en 70% liggen.
Als voerbakken moet men stevige bakjes kiezen van roestvrij staal of geglazuurd aardewerk in verband met hygiëne en knaagschade.
Een uitstekende bodembedekking is Carefresh Bedding. Dit is gemaakt van papierpulp en verkijgbaar bij ons in de kliniek. Carefresh is hypoallergeen, neemt tot 3 keer zijn eigen gewicht aan vocht op en gaat 3x zo lang mee, het houdt vervelende geurtjes tegen en stoft niet.
Voeding:
Konijnen zijn herbivoren, dit betekent dat ze alleen plantaardig voedsel eten.
Coprofagie (het eten van eigen ontlasting) komt ook voor bij het konijn en dient om voedingsstoffen (vitamine B, K en eiwitten) op te nemen die door de bacteriën in de dikke darm zijn gemaakt. Deze stoffen worden 's nachts met de ontlasting als zachte keutels uitgescheiden en weer opgegeten. Overdag produceert het konijn de beknde harde keutels die u in zijn hok kunt vinden. De zachte keutels (coecotrophen) zijn zeer eiwitrijk (29.5% in de droge stof) en voorzien in 20% van de dagelijkse eiwitbehoefte. Het is dus belangrijk dat een konijn deze binnenkrijgt. Vindt u de zachte keutels terug in het hok of plakken deze in zijn broek, dan krijgt uw konijn vermoedelijk teveel krachtvoer.
Konijnen moeten altijd kunnen beschikken over hooi van goede kwaliteit. Het menu kan worden aangevuld met weegbree, gras, en paardebloemblad. Ook groenten en fruit zoals bloemkool, boerenkool, wortelen en appelen met schil worden graag gegeten door het konijn. Deze voeding moet gewassen, droog en het liefst op kamertemperatuur aangeboden worden.
Met overige koolsoorten, sla en klaver moet men voorzichtig zijn omdat deze voeding gemakkelijk aanleiding kan geven tot darmproblemen.
Granen zijn goede voedingsstoffen, met name gerst, haver en tarwe en maïs. Maïs en tarwe vindt het konijn minder lekker. Ook oud bruin brood is een bruikbare voeding voor het konijn. Als knaaghout is beukenhout met blad of wilgentak zeer geschikt.
Het konijn is niet goed in staat om met zijn zintuigen onderscheid te kunnen maken tussen giftig en niet giftig.
Het is het beste om het konijn 2x per dag te voeren (ochtend en avond). Als basis van de voeding kan Russel Rabbit dienen. Dit is een compleet voeder met hooi als extra ingrediënt. Russel rabbit is verkijgbaar bij ons in de praktijk.
Voeding van moederloze jongen dient 2-3x daags te geschieden. Het te geven melk volume per dag bedraagt in de eerste week 5 ml, in de tweede week 15 ml en in de derde week 25 ml. Tevens moet na iedere maaltijd de buikstreek gemasseerd worden om de darmen en blaas te stimuleren.
Na enkele weken kunnen de jongen overgewend worden op vast voedsel.
Samenstelling moedermelk (gemiddeld):
Droge stof 29%
Ruw eiwit 10%
Ruw vet 12%
Mineralen 2.5%
Lactose 2%
De dagelijkse voedselopname bedraagt 40g korrel per kg lichaamsgewicht per dag.
Een voedster met jongen of een jong in de groei dient ad libitum (onbeperkt) gevoerd te worden.
De dagelijkse wateropname bedraagt 5-100 ml per kg lichaamsgewicht. Een en ander is ook afhankelijk van de fysiologische status. Een konijn dient altijd vers water ter beschikking te hebben.
Aanbevolen voeranalyse
ruw eiwit 14-20%
ruw vet 2-3%
ruwe celstof 15-20%
Voortplanting
Een mannetje (rammelaar) paart met verschillende vrouwtjes. Het konijn heeft een geïnduceerde ovulatie, dit wil zeggen dat de eisprong plaatsvind na bevruchting. Na een gemiddelde dracht van 31 dagen worden de jongen geworpen.
Om de bevalling en kraamperiode zo rustig mogelijk te laten verlopen is het aan te raden de ram van de voedster te scheiden zodra de dracht is vatgesteld. Het is belangrijk dat zij elkaar nog wel kunnen zien en ruiken zodat ze na de kraamperiode weer samen gehuisvest kunnen worden. Het vrouwtje (voedster) bouwt een nest waarbij ze zachte haren gebruikt die ze uit haar eigen buikhuid trekt. Dit gebeurt meestal in de laatste drie dagen van de dracht. Schijnzwangerschap komt overigens regelmatig voor bij de huiskonijnen.
De jongen worden blind, doof en kaal geboren. Jongen worden enkele malen per etmaal gezoogd, waarbij de zoogtijd niet langer is dan 3 minuten.
Na 10 dagen gaan de ogen open en na 14 dagen gaan de oortjes staan, behalve bij de hangoorrassen. Na 18-24 dagen komen de jongen uit het nest tevoorschijn. Vanaf twee weken na de geboorte is de voedster alweer vruchtbaar.
Vanaf een leeftijd van 4 maanden kan een ram gecastreerd worden, na de castratie blijft het dier nog 4-6 weken vruchtbaar.
- Geslachtsrijp: 3-5 (voedster) 4 mnd (rammelaar)
- Fokrijp: 5-9mnd (afhankelijk van de grootte)
- Oestrische cyclus: geen, geïnduceerde eisprong
- Draagtijd: 29-33dgn (gemiddeld 31)
- Nestgrootte: 4-10(gemiddeld 7)
- Geboortegewicht: 30-70 gram
- Speenleeftijd: 6-8 wkn
- Volwassen gewicht: 1-7kg
- Temperatuur: 39°C
- Levensduur: 7-8jr (max.15 jaar)